123
12
13
14
15
16
17
UNIX/Linux-systeemnetwerk
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
hoofdstuk
Wanneer “hostname” de apparaatnaam van een printserver is,
specificeert de tag “ht=1” dat Ethernet het hardwaretype is en
specificeert de tag “ha=” het Ethernet-adres van een printserver
die de node-ID op de printserver is. De tag “ha” moet worden
voorafgegaan door de tag “ht”. De tag “ip=” moet overeenkomen met
het IP-adres dat u aan de printserver wilt toewijzen.
Bijvoorbeeld een printserver met de volgende configuratie:
Node ID: 0000B4010101 (dit houdt in dat het
Ethernet-adres 0000B4010101 is),
IP-adres: 203.66.191.12
De ingang voor deze printserver in het bestand /etc/bootptab moet
zijn:
MF010101:\
:ht=1:\
:ha=0000B4010101:\
:ip=203.66.191.12:
Het IP-adres van de printserver controleren
Met een PING-opdracht kunt u controleren of de printserver reageert
op het nieuw toegewezen IP-adres:
ping ip-address
Externe LPD-printfuncties op de host configureren
De procedure voor het configureren van UNIX/Linux host(s) om het
afdrukken naar de externe printserver van een netwerk mogelijk te
maken, is voor de diverse varianten van UNIX/Linux verschillend.
De onderstaande procedure is geschikt voor UNIX/Linux-varianten
die zijn gerelateerd aan BSD UNIX, zoals SunOS of Linux. Zie uw
systeemdocumentatie voor andere versies van UNIX/Linux en bedenk
daarbij dat:
1. De printserver moet worden behandeld als
printserverhost in een BSD-netwerk.
2. De hostnaam moet de naam (of het IP-adres) zijn
die u aan de printserver hebt toegewezen.
3. De naam van de printer (of van de wachtrij) op
de externe host moet zijn: lpt1, lpt2 of lpt3, de
naam van de printerpoort op de printserver.